Onderzoeksopzet

In dit hoofdstuk wordt de onderzoeksmethode en verantwoording besproken.

Kwalitatief onderzoek

Omdat we gericht zijn op het begrijpen van het onderwijssysteem in het geheel is kwalitatief onderzoek het meest geschikt: we willen weten waarom heeft men bepaalde keuzes heeft gemaakt m.b.t. gepersonaliseerd leren en hoe dit in de praktijk werkt (Verhoeven, 2018, p. 26). Dit biedt inzichten in de stappen die gezet zijn en de ervaringen met dit type onderwijs.


Dataverzamelingsmethode

Per deelvraag worden verschillende onderzoeksinstrumenten gekozen. Hieronder wordt beschreven welke dat zijn.

Deelvraag 1 Hoe wordt gepersonaliseerd leren gefaciliteerd en gestimuleerd door de overheid?

Voor de beantwoording van deze deelvraag zijn twee onderzoeksinstrumenten gekozen. Ten eerste het bestuderen van websites en onderwijsdocumenten van de overheid m.b.t. het gepersonaliseerd leren, ofwel 'document interrogation' (Thomas, p. 214).

Dit zijn:

  • de website van de overheid: https://education.gov.scot/education-scotland/

  • het document 'Curriculum for Excellence' (Education Scotland, 2016)

  • het document 'CfE Briefing. Personalised learning' (Education Scotland, 2012)

Bovenstaande bronnen geven inzicht in wat de overheid heeft opgezet en welke stappen daarin ondernomen zijn. Ze tonen daarin ook welke visie de overheid heeft op onderwijs. . 

Ten tweede het afnemen van een interview met een vertegenwoordiger van de overheid afgenomen. Dit kan een vertegenwoordiger zijn van de nationale overheid, maar wanneer dit niet haalbaar is zal worden gezocht naar iemand van de plaatselijke gemeente van een van de scholen. Hoewel de bovenstaande bronnen veel inzichtelijk kunnen maken, biedt een interview een verdere verdieping door de context die de geïnterviewde kan schetsen. Dat wat in theorie beschreven is kan afwijken van wat in de praktijk gebeurt. Het interview is semigestructureerd zodat het een verdieping vormt op de bronnen. De geïnterviewde kan n.a.v. de vragen zaken toevoegen en hierop kan ter plekke op worden doorgevraagd. 


Deelvraag 2: Hoe krijgt gepersonaliseerd leren vorm in de visie van de scholen?

Voor de beantwoording van deze deelvraag worden drie tot vier scholen bezocht. Op het moment van schrijven is nog niet vastgesteld welke. Er is contact gelegd met scholen van alle niveaus in Schotland (basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs) zodat er een meer compleet beeld ontstaat van hoe gepersonaliseerd leren in het onderwijs vorm krijgt. Bij het bezoek aan de scholen wordt wederom gebruik gemaakt van twee onderzoeksinstrumenten die elkaar aanvullen. [Einde van tekstterugloop]

Ten eerste het bestuderen van onderwijsdocumenten van de scholen. Deze documenten worden m.b.v. een kijkkader n.a.v. het theoretisch kader geanalyseerd.

Ten tweede het afnemen van een interview met een vertegenwoordiger van de schoolleiding (bijv. directeur) of onderwijskundige van de scholen die inhoudelijk betrokken zijn bij de visie van de school. Docenten zijn hierin o.a. de uitvoerders van de visie en zullen daarom ook hierop bevraagd worden. Omdat zij voor de beantwoording van deelvraag 3 geïnterviewd worden (zie 4.2.3.), zal in dat interview een vraag m.b.t. deelvraag 2 opgenomen worden. Het interview met de een van de schoolleiding of onderwijskundige is een verdieping op de gelezen visiedocumenten: het interview biedt meer context bij de documenten. Ook hier zal om dezelfde redenen als bij deelvraag 1 een semigestructureerd interview worden afgenomen.


Deelvraag 3 Hoe krijgt gepersonaliseerd leren vorm in de lessen van de scholen?

Voor de beantwoording van deze deelvraag geldt ook dat er scholen bezocht worden. In deze deelvraag staat observatieonderzoek meer centraal. Er zullen een of meerdere lessen bezocht worden om duidelijk te krijgen hoe gepersonaliseerd leren concreet vorm krijgt. Ook bij deze deelvraag zijn twee onderzoeksinstrumenten gekozen. [Einde van tekstterugloop]

Ten eerste het gestructureerd observeren middel een observatieschema. Op deze manier observeren we met een doel (Van der Donk & Van Lanen, p. 188-189). De observatiepunten komen voort uit ons theoretisch kader naar gepersonaliseerd leren.Van der Donk & Van Lanen (2012) geven aan dat je in een dergelijk schema zo precies mogelijk moet beschrijven welk gedrag je wilt observeren. Omdat dit in ons onderzoek minder passend is kiezen we ervoor om de observatiepunten meer open te formuleren aan de hand van thema's binnen het gepersonaliseerd onderwijs. We willen immers weten hoe men het gepersonaliseerd onderwijs vorm geeft. We spreken daarom liever over een kijkkader zoals Van der Donk & Van Lanen spreken over het bestuderen van bronnen (2012, p. 182-183). Ons inziens is het open karakter van deze opzet goed bruikbaar voor het observeren van de lessen. We kiezen ervoor ons niet te richten op hoe vaak bepaalde zaken aan bod komen, wat vaak gebruikelijk is in observatieschema's. Dit heeft een meer kwantitatief karakter en sluit daarom minder goed aan op onze onderzoeksvraag.
Ten tweede het afnemen van semigestructureerde interviews bij docenten en leerlingen/ studenten (die we hebben geobserveerd). Op deze manier kunnen we onze observaties spiegelen aan de ervaring en ideeën van de docent en krijgen we nog meer inzicht in wat er in de les gebeurt m.b.t. gepersonaliseerd onderwijs. Het interview is ook hier dus een verdieping op het eerste onderzoeksinstrument.


Validiteit en betrouwbaarheid

Om zoveel mogelijk validiteit te creëren hebben we ervoor gekozen twee verschillende onderzoeksinstrumenten te gebruiken per deelvraag, zodat we verschillende data hebben van datgene wat we onderzoeken (methodetriangulatie). Het onderzoek heeft de beperking dat we slecht enkele scholen onderzoeken. Strikt genomen kunnen we geen uitspraken doen over het Schotse onderwijs, slechts de scholen die we bezocht hebben. Hetzelfde geldt voor uitspraken over de overheid. De semigestructureerde interviews bieden een bepaalde mate van betrouwbaarheid. De ruimte voor verdieping geeft triangulatie, maar tegelijkertijd een beperking: er kan vanaf geweken worden. Tevens worden de interviews door veel verschillende studenten afgenomen. Er wordt daarom naar een gelijke werkwijze gestreefd. Hetzelfde geldt voor het analyseren van de data. De hoeveelheid studenten kan overigens een verrijking opleveren. Niet iedereen kijkt op dezelfde manier. Er is daarom ook sprake van onderzoekerstriangulatie. Er is ook sprake van brontriangulatie doordat verschillende mensen worden geïnterviewd (docenten, leerlingen, directeuren, overheidsvertegenwoordigers). Het kijkkader draagt bij in betrouwbaarheid doordat we samen naar dezelfde observatiethema's kijken. We geven richting aan ons kijkgedrag.  

© 2022 Reisblog van Master Leren & Innoveren Cohort 21-23. Alle rechten voorbehouden.
Mogelijk gemaakt door Webnode Cookies
Maak een gratis website. Deze website werd gemaakt met Webnode. Maak jouw eigen website vandaag nog gratis! Begin